HOOFDARTIKEL - Mare 20, 17 februari 2005

Heike in Leiden

Het koudste kamertje mag dan verdwenen zijn, er zijn in Leiden wel andere bewijzen van Kamerlingh Onnes' bestaan. Enkele startpunten:

Biografie over Kamerlingh Onnes

Schepper van de koudste plek

Hester van Santen

Heike Kamerlingh Onnes, de Nobelprijs-winnende natuurkundige die helium vloeibaar maakte, gaf de ‘big science’ in de Leidse fysica vorm. Wetenschapsjournalist Dirk van Delft promoveerde vorige week op Onnes’ biografie. ‘Nu zou hij allang zijn wegbezuinigd.’

Misschien is het een troost dat Heike Kamerlingh Onnes zich bij de verkiezing van de Grootste Nederlander kon meten met mannen die minder lang dood zijn dan hij, ingeklemd tussen Hendrik Berlage en Ko van Dijk op de 108ste plaats van de ranglijst. Maar zelfs in de lokale variant die deze krant organiseerde, kwam Nobelprijswinnaar Heike niet verder dan de middenmoot.

Wat is er toch met de man die Leiden op 10 juli 1908 tot het koudste plekje op aarde maakte, en die drie jaar later ook nog eens de supergeleiding ontdekte? Wie Kamerlingh Onnes kent, kent hem als 'monsieur zéro absolu'. Die benaming suggereert dat de Leidse hoogleraar experimentele natuurkunde de extreme kou najoeg alsof het om een vermelding in het Guinness Book of Records ging - geen goede papieren voor een Grootste Nederlander.

Van dat misverstand maakt Dirk van Delft, chef van de wetenschapsredactie van NRC Handelsblad, echter korte metten. In Leiden verdedigde hij vorige week donderdag zijn proefschrift, een 669 pagina's dikke biografie van de koudeproducent. Van Delft, zelf Leids natuurkunde-alumnus, schetst Kamerlingh Onnes (1853 – 1926) als een wetenschapper die alles in het werk stelde om de extreem nauwkeurige experimenten te doen waarmee hij de theorieën van zijn vriend en collega Johannes Diderik van der Waals kon toetsen. Zijn motto muntte hij al in 1882 tijdens zijn oratie: 'Door meten tot weten'.

Dirk van Delft: ‘Onnes’ ideaal was om de Hollandse fysica internationaal aanzien te geven’ © Taco van der Eb

Het betekende dat er in die laatste jaren van de negentiende eeuw met man en macht aan apparatuur gebouwd moest worden, dat Onnes vaak maanden naar de Alpen moest om zijn gezondheid te redden, en dat hij nooit ophield bij de universitaire notabelen om fondsen te bedelen, maar de hoogleraar had het ervoor over. Van Delft: 'Natuurlijk was hij een groot wetenschapper, maar om zo'n laboratorium te realiseren is organisatietalent, uithoudingsvermogen en sociaal instinct nodig.'

De resultaten van die Ausdauer culmineerden op een julidag in 1908 in lokaal E’ van het Natuurkundig Laboratorium aan het Steenschuur; nu heet het gebouw Kamerlingh Onnes en is de rechtenfaculteit er gehuisvest. Helium werd er voor het eerst vloeibaar, iets waarvoor een temperatuur van - 269 graden Celcius nodig was, iets meer dan vier graden boven het absolute nulpunt. Het 'koudste kamertje' waar dat gebeurde, bestaat niet meer. Promovendus Van Delft kan zich het zaaltje nog wel herinneren: 'Het was een mysterieus kamertje dat er heel oud uitzag. Je snapte niet hoe iemand daaruit wijs kwam, uit die wirwar van draden, buizen, kranen enzovoort.'

Al sinds half zes was de hoogleraar die bewuste dag in het lab met assistenten in de weer geweest om de twintig liter vloeibare waterstof te bereiden waarmee het helium zou worden voorgekoeld. Door het gedrag van helium (immers een eenvoudige stof) te bestuderen, wilde Onnes het gedrag van gassen en vloeistoffen beter begrijpen, zo benadrukt Van Delft. Van der Waals had voor die experimenten de basis gelegd; het was de tijd waarin de moderne voorstelling van atomen en moleculen juist van de grond kwam.

Om half acht 's avonds was het zover: het laatste vat vloeibare waterstof was even daarvoor aangesloten aan de in Onnes’ lab ontwikkelde koelinstallatie, de zogeheten 'helium-liquefactor'. Opeens zagen de onderzoekers vloeistof in de proefbuis waar zich daarvoor enkel nog heliumgas bevond. 'Toen het [vloeistof]oppervlak eenmaal gezien was, werd het niet meer uit het oog verloren. Het stond messcherp tegen de glazen wand.' Enkele honderdduizenden guldens waren op dat moment, bijna zestien jaar na Onnes' oratie, in het project geïnvesteerd. Er was helium uit speciaal geïmporteerd zand gezuiverd, er was technologie van torpedo-installaties geleend voor de pompen, het lab had drie jaar stilgelegen wegens vergunningproblemen met 'ontplofbare toestellen'.

Het meten duurde die dag zestien uur. Misschien was dat ook voor Kamerlingh Onnes wat veel – zijn vrouw moest, zo schrijft Van Delft, tegen vijven langs komen om haar man brood te voeren - maar feit is dat de dagen met helium-experimenten altijd strak waren volgepland. Van Delft: ‘Dat had er natuurlijk mee te maken dat vloeibaar helium vrij zeldzaam was. In 1922 waren er bijvoorbeeld maar achttien meetdagen.’

In zijn boek neemt de wetenschapsjournalist de ruimte om te laten zien wat voor man zo’n discipline op wist te brengen. Heike had als zoon van een Groningse dakpannenfabrikant al vroeg geleerd hard te werken – overigens was zijn achternaam toen nog gewoon Onnes, zijn tweede voornaam Kamerlingh voegde hij er in zijn studententijd bij. De hoogleraar wist ook dat hij zijn energie vanwege zijn zwakke longen niet moest verspillen. ‘Ik denk dat hij gedacht heeft: ik ben een teer ventje, ik moet me concentreren op dat wat ik echt wil.’

Kamerlingh Onnes (rechts) in 1919 voor een opstelling waarmee hij helium vloeibaar maakte, poserend met van links naar rechts collega-wetenschappers Paul Ehrenfest, Hendrik Antoon Lorentz en Niels Bohr.
© Academisch Historisch Museum, Leiden.

Dat hij een getalenteerd experimentator was, had Heike al in zijn promotietijd bewezen. Hoewel hij zijn werk moest doen in een kelder onder het Groningse academiegebouw die ook dienst deed als hondenhok, slaagde hij magna cum laude voor zijn nauwkeurige analyses van de slinger van Foucault. Carrièreplanning was hem toen al niet vreemd. Nog geen vijfentwintig jaar oud dacht Heike al dat hij als natuurkundige binnen een paar jaar ‘iets éclatants’ zou kunnen laten zien, en had hij de Leidse universiteit – op dat moment het centrum van de Nederlandse natuurkunde – op het oog als werkgever.

Niet iedereen nam hem die voortvarende houding later in dank af, zo stipt Van Delft aan. De dochter van Onnes’ collega Hendrik Antoon Lorentz wist in 1953 zelfs te vertellen dat die uit Leiden vertrokken zou zijn omdat Kamerlingh Onnes twee labzaaltjes van haar vader zou hebben ingepikt. ‘Ik heb dat uitgezocht, en daar is geen sprake van.’ Integendeel: ‘Ze waren dikke vrienden. Bij de verloving van Lorentz schreef Onnes een heel lief kaartje, en op Onnes’ begrafenis heeft Lorentz nog gesproken.’

Wel kon het gebeuren dat Lorentz onder Onnes’ directeurschap van het Natuurkundig Laboratorium veertien jaar moest wachten op een assistent om zijn onderwijslast te verlichten. Van Delft: ‘Dat is voor Lorentz wel een beetje gênant geweest, maar of dat Onnes te verwijten is, is een moeilijke vraag. Ik denk dat Onnes een heel hartelijke man was voor zijn collega’s, al was hij voor zijn ondergeschikten keihard op zijn tijd.’

Bij Onnes’ contacten gold volgens de promovendus bijna altijd dat beide partijen er beter van werden. Zo ook bij zijn gastvrije ontvangst van buitenlandse wetenschappers als Marie Curie en Albert Einstein, of bij de oprichting van de Leidse Instrumentmakers School; de school bestaat nog altijd en werkt samen met de Leidse fysici.  ‘De instrumentmakersopleiding kwam hem ten goede, maar ook het land.’ Voor de studenten die vanwege de kleur van hun kielen ‘blauwe jongens’ genoemd werden, zette hij met geld van een Amsterdamse koffiehandelaar een beurzenstelsel op. Ze verdienden bij Onnes niet veel, maar ze vonden bijna allemaal een goede baan.

Kamerlingh Onnes’ manier van werken komt op de hedendaagse lezer opvallend modern over: strak geplande onderzoeksprogramma’s, continue fondsenwerving, veel buitenlandse contacten. Van Delft: ‘Die big science-aanpak was op dat moment helemaal nog niet gebruikelijk. Zijn ideaal was toch om de Hollandse fysica internationaal aanzien te geven.’

Aan die ‘Tweede Gouden Eeuw’ heeft Onnes zeker bijgedragen – samen met andere Nederlandse Nobel-laureaten uit het begin van de twintigste eeuw als Lorentz, Van der Waals en Zeeman. Maar als de hoogleraar-directeur nu had geleefd, had hij het toch anders aan moeten pakken, denkt Van Delft. ‘Als je nu als hoogleraar de eerste tien jaar niets van je laat horen, ben je allang wegbezuinigd.’

Dirk van Delft: Heike Kamerling Onnes – een biografie, 669 pgs., € 39,95 promotie was 10 februari 2005; de biografie is hier te lezen.