De stelling van Pythagoras zegt: het kwadraat (c2) van de schuine zijde (c) is de som van de kwadraten (a2+b2) van de rechte zijden (a en b) van een rechthoekige driehoek. Of ook, de oppervlakte (c2) van een vierkant met zijden die even lang zijn als de schuine zijde (c), is de som van de oppervlakten (a2+b2) van de twee vierkanten ieder met de zijden gelijk in lengte aan een van de twee rechte zijden (a en b). En zo hebben we bijna een bewijs van de stelling van Pythagoras geleverd. Zie de figuur hieronder,

psfile=pyth.eps

waar we het vierkant met oppervlak c2 opbouwen uit de vier rechthoekige driehoeken, met schuine zijde c en rechte zijden a en b. Daarbij houden we een vierkantje over, waarvan de zijden een lengte b-a hebben. Omdat twee dezelfde rechthoekige driehoeken, met hun schuine zijden tegen elkaar, een rechthoek geven met zijden a en b en dus met een oppervlak a X b geldt dat (c2) gelijk is aan twee maal dat oppervlak (2ab, of ook vier maal het oppervlak van de driehoek), plus het oppervlak van het overblijvende vierkantje ((a-b)2). Nu wat simpele algebra:

c2=2ab+(a-b)2= 2ab+a2-2ab+b2=a2+b2

en we zijn klaar met ons bewijs. De schuine zijde wordt dus gegeven door

$c=\sqrt{a^2+b^2}$,
immers het kwadraat (c2) van de wortel is gelijk aan a2+b2.

Terug naar de tekst.